Reewild





Leefomgeving
Reeën komen eigenlijk in alle landschapstypen voor; van het laagland tot in het middel- en  hooggebergte. Oorspronkelijk leefden ze in gemengde loofhoutbossen, waarbij de eik en de beuk de belangrijkste voedselleveranciers waren. Het liefst leven ze in een parkachtig landschap met lichtere gevarieerde opstanden met veel ondergroei en bosranden.  
Bij stijgende dichtheden zien we reeën ook op plaatsen waar geen bos aanwezig is, zoals kale weilanden, akkerland en open cultuur landschap. Deze zogenaamde veldreeën passen zich geheel aan de nieuwe biotoop aan. Ze gebruiken houtsingels, rietkragen en kleine bosjes, maar ook slootranden en greppels als dekking. Hun voedsel bestaat dan praktisch geheel uit wat het veld opbrengt, zoals grassen en diverse kruiden.
In de zomer vertoeven veldreeën graag in dekkingsrijke akkerbouwgewassen. Vanaf de herfst, als de akkers na de oogst weinig dekking meer bieden, concentreren ze zich vaak in groepen, zogenaamde sprongen, die veel groter kunnen zijn dan bij bosreeën. Bij onraad vluchten ze niet een nabij gelegen bos in, maar gaan op afstand het veld in. Vooral in grootschalige akkerbouwgebieden kun je grote sprongen veldreeën waarnemen. Het gewas op het veld levert dekking én voedsel.
Veldreeën gedragen zich meer dan bosreeën als kuddedieren: steeds is er minstens één ree die de omgeving in de gaten houdt, terwijl de rest graast. De in de herfst gevormde sprongen zijn bij veldreeën vaak veel groter dan bij bosreeën. Sprongen van enkele tientallen stuks zijn geen zeldzaamheid.

Aantallen
Het aantal reeën in een gebied varieert en is afhankelijk van de kwaliteit en de dynamiek van de leefomgeving. Vooral de dynamiek zorgt voor steeds wisselende aantallen. Aantallen variëren dan ook van 5 reeën per 100 ha tot wel meer dan 25 per 100 ha.
In 1951 ging men ervan uit dat het aantal reeën in Nederland rond de 5.000 lag. In 1956 werd het aantal al op 10.000 geschat. En in 1976 werd door het Ministerie van Landbouw aangegeven dat de stand 22.000 stuks bedroeg. De verwachting werd toen zelfs uitgesproken dat dit wel het maximale aantal zou zijn dat in ons land kan leven. In 1978 (Mekers) werd het aantal al weer hoger geschat op 25.000 stuks. En sindsdien is het aantal alleen maar toegenomen.
Hoeveel reeën er precies in Nederland rondlopen, weten we niet, maar het zijn er momenteel minimaal 100.000. De verspreiding over Nederland is groot. Een paar Waddeneilanden en een aantal stukjes polderland in de kuststreek zijn nog reevrij. In de rest van Nederland, van noord naar zuid, oost naar west, polderland, bos, heide, riet, het weiland in Friesland, duin, kwelders, klei en zandgrond, kun je reeën waarnemen.





 Kenmerken
Het ree is de kleinste van alle in het wild levende hertensoorten in ons land. Door zijn lichaamsvorm en afmetingen, is het ree uitermate geschikt om zich in dichte ondergroei en hoog gras voort te bewegen. In verhouding tot de romp zijn de lopers sierlijk en lang. Door de sterk ontwikkelde dijbeenspieren kunnen reeën verre en hoge sprongen maken.  
Het gewei van de bokken is relatief klein. De grote ogen hebben een zwarte iris rond een dwarsgeplaatste pupil en zitten aan de zijkant van de kop. Dit levert een zeer groot gezichtsveld op. De zeer beweeglijke oren zijn lang en ovaal van vorm. De hals is lang en smal en de romp is gedrongen en ‘overbouwd’: van voren wat zwaarder en lager dan achter. De neus is zwart, terwijl de voorkant van de onderkaak wit is. De staart is een kort stompje dat aan de buitenkant van het lichaam praktisch onzichtbaar is
De witte haren rond de anus wordt de spiegel genoemd. Geiten herken je in de winter aan het schortje onderaan de spiegel, een plusminus 7 centimeter lang haarbosje dat eigenlijk onder aan de vulva zit. Bij de reebok ontbreekt dat schortje. De vorm van de spiegel bij de geit is ovaalvormig, terwijl die bij de bok meer niervormig (ook wel boonvormig genoemd) is.
De haren van de spiegel kunnen overeind worden gezet, waardoor de spiegel als het ware openklapt en heel duidelijk zichtbaar wordt.
Het ree heeft hoefjes en loopt daarmee op z’n of haar tenen. Het spoor, ook wel prent genaamd, van een ree bestaat uit de afdruk van de hoefschalen op de grond. Aan de grootte van de afdrukken kun je zien of er een volwassen ree of een kalf heeft gelopen. Heeft het rustig gestapt, dan zie je de afdrukken van voor- en achterlopers vlak bij elkaar of over elkaar. Is het ree vluchtig geweest, dan zijn de afdrukken van de hoefschalen gespreid. In een zachte bodem zie je dan ook de afdrukken van de beide achterklauwtjes. Er bestaat weinig verschil tussen de hoeven en dus ook het spoor van een bok en dat van een geit.
 
De vacht
Het ree heeft zomerhaar of winterhaar, men spreekt ook wel van zomerdos en winterdos. In de zomer is de beharing glanzend bruin-rood, met individuele verschillen van oranjerood tot vaalgeel. Zonlicht bleekt de kleur in de loop van de zomer wat. De tekening van de kop kan per individu heel verschillend zijn, vaak zie je een witte vlek boven de zwarte neus, maar deze kan ook geheel ontbreken. Het ene ree heeft een donkere tekening op het voorhoofd en het andere ree weer niet. Hoewel de bonte gezichtskleuren met de leeftijd kunnen vervagen, blijft de basistekening van de kop wel aanwezig. Maar voor een goede leeftijdbeoordeling is de koptekening onbruikbaar. De eerste beharing van reekalveren is bruin met in de lengterichting rijen witte vlekken. In de eerste herfst zijn deze vlekken verdwenen, het haar wordt eenkleurig bruin en gaat daarna over in winterhaar, waarin geen vlekken meer te zien zijn. De beharing in de winter bestaat uit dekharen met daaronder een wollige onderbeharing. Het onderhaar is heel dun en krullend en dient als bescherming tegen de kou. Omdat het pigment van het zomerkleed dan is verdwenen en is ingenomen door lucht, wat een isolerende werking heeft, is het ree naar grijsbruin verkleurd
In het voorjaar, in maart en april, kunnen reeën er bijzonder "mottig” uitzien. Dan verschijnt namelijk het zomerhaar en valt het winterhaar uit, het eerst bij de kop, op de schoft en aan de onderkant van de hals, rond de spiegel en op de flanken. Daarna verhaart de hals en als laatste de rug. De voorjaarsverharing is klaar tussen mei en begin juni. Vanaf eind augustus groei het grijze winterhaar door het rode zomerhaar heen, beginnend aan de kop en vervolgens aan de hals en de rest van het lichaam. Het tijdstip van verharen kan variëren, afhankelijk van de weersomstandigheden, leeftijd en gezondheid van het ree. In het algemeen verharen jonge en gezonde reeën eerder dan oude of zieke dieren.
 
Het gewei
Het gewei van de reebok bestaat uit twee stangen met een ronde of ovale doorsnee. De stangen staan op benige uitgroeisels op de schedel, de rozenstokken. De rozenstokken groeien het hele leven van de bok door, ze worden ieder jaar dikker. De hoogte van de rozenstokken neemt jaarlijks af. In normale gevallen vormt zich aan de voorzijde van de stang een aftakking: ‘voorend’. Tussen deze en het bovenste eind van de stang ontstaat een aftakking naar achteren: ‘achterend’. Drie enden per stang heet een ‘zesender’. Niet vertakte stangen heten ‘spitsers’, terwijl een gewei met twee enden per stang een ‘gaffel’ is.
In uitzonderlijke gevallen komen ‘achtenders’ of ‘tienenders’ voor. Geweien kunnen qua vorm zeer verschillen en zijn erfelijk bepaald. Je kunt ei-, hart- en liervormige en daarnaast nog andere typen geweien onderscheiden.
Afwijkende vormen van geweien kunnen veroorzaakt worden door het toenemen van de leeftijd, maar ook door beschadigingen van de bast tijdens de groei, waardoor zich soms meerdere enden vormen. Verder door het afbreken van een stang of een end of door hormonale storingen. Een bekend voorbeeld is het pruikengewei, de oorzaak is vaak een verwonding van de teelballen van de bok. Een dergelijk gewei wordt ook niet meer afgeworpen.
 
De groei van het gewei
De groei van het gewei, de stop van deze groei en het afwerpen worden gestuurd door hormonen.Het bokkalf ontwikkelt op een leeftijd van 3 maanden rozenstokken op de schedel. Hierop ontstaat bij sterke bokkalveren het eerste geweitje, dat hooguit enkele centimeters lang en altijd spitser is. Het heeft echter geen rozen. In januari/februari wordt dit geweitje afgeworpen en begint direct de ontwikkeling van het volgende gewei. Dit eerste ‘echte’ gewei, dat al wel rozen heeft, wordt doorgaans in de late herfst afgeworpen. Tijdens de groei van het gewei zijn de stangen omgeven door de bast, een soort dichtbehaarde huid. Deze bast, met daarin talrijke zenuwen en bloedvaten, beschermt en voedt het groeiende gewei. Het gewei heeft eerst een kraakbeenachtige structuur. Later door kalktoevoeging van onder af verbeent het snel.
Het vegen van het gewei
Als het gewei volgroeid is, stopt de bloedtoevoer. Gevolg: de bast sterft af en zit nog maar los aan de stang. Die bast wordt dan van het gewei "geveegd”. Het ree beweegt tijdens het vegen het gewei heftig langs stammetjes en twijgen op en neer, zodat de bast van het gewei in stroken en repen wordt verwijderd. Het vegen van het gewei kan soms enkele uren kosten, maar er kunnen ook enkele dagen overheen gaan. Soms kan je een bok tegenkomen met de ene stang geveegd en de andere nog helemaal in de bast. Ook kunnen resten van de bast nog dagenlang aan de stang blijven zitten. Het pas geveegde gewei is wit van kleur. Door het vegen langs bomen en struiken dringen bloed van de bast en plantensappen en humus in de poriën van het gewei, waardoor deze donker kleurt. Hoe poreuzer het gewei, hoe donkerder de kleur wordt. Na verloop van tijd worden de stangen door het vegen gepolijst. Het tijdstip van het vegen hangt af van het weer. Na een strenge winter vegen de bokken iets later. Als regel vegen de oude bokken het eerst, vanaf midden februari, de jonge later, de jaarlingen tot eind mei, soms begin juni. Maar dit is geen ijzeren wet. Je kunt dus niet met zekerheid zeggen dat een bok die in begin maart met een volledig geveegd gewei rondloopt, beslist een hele oude moet zijn. Dat kan ook wel een twee- of driejarige zijn.
Het afwerpen van het gewei
De werking van het geslachtshormoon testosteron bepaalt het afwerpen van het gewei. Als de werking hiervan na de bronsttijd afneemt, wordt op de grens tussen de rozenstok en de roos het benige materiaal opgelost door z.g. osteoblasten. Op een gegeven ogenblik is een geringe aanraking al voldoende om het gewei te laten afvallen. De afwerpperiode ligt tussen oktober en december. Meestal werpt een oudere bok eerder af dan een jongere.
Het gewei in relatie tot de leeftijdsfase en biotoop
De lengte van de stangen neemt toe tot het ree volwassen is. Daarna als het ree ouder wordt, worden de stangen weer korter. Dit ‘terugzetten’ van het gewei zie je vooral in de lengte en in mindere mate in de omvang van de stangen. De omvang van de rozen neemt met de jaren zelfs toe. Erfelijke aanleg beïnvloedt grootte en vorm van het gewei. Maar van doorslaggevende invloed is de samenstelling en kwaliteit van het voedsel dat de bok tot zich neemt.
 
De zintuigen
Het gezichtsvermogen
Het gezichtsvermogen van reeën is matig ontwikkeld. Ze zien onscherpe beelden met weinig scherptediepte en herkennen alleen grote objecten. Reeën zien de wereld niet als de mens in een soort cirkel, maar meer in een horizontale band. Daardoor is de mens op een hoogzit ook niet zichtbaar voor een ree, die valt dan namelijk buiten dat gezichtsveld van het ree.
Bewegingen nemen ze echter uitstekend waar. Maar een ree neemt bijvoorbeeld een volkomen stilstaand mens niet waar. Beweging maakt het wantrouwend. Gevolg: het ree gaat geruime tijd zekeren (het oplettend stilstaan). Soms laat het ree dan de kop zakken alsof het wil gaan grazen, maar ondertussen houdt het alles goed in de gaten. Vaak  werpt het daarbij de kop weer snel op. De geringste beweging doet het ree dan vluchten. Vermoedelijk kunnen reeën in beperkte mate kleuren zien.
Het gehoor
Reeën horen goed. Ze kunnen geluiden herkennen en, door de oorschelpen afzonderlijk te draaien, ook de richting van het geluid bepalen. Het ree weet uitstekend welk geluid wel of geen gevaar betekent. Het went aan veel voorkomend geluid, ongeacht het volume. Het geluid van de trekker van de boer, de motorzaag van de bosbouwer of een overvliegende straaljager verontrust ze niet, een zacht geluid van een brekend takje kan ze doen vluchten.
Het reukvermogen
Het reukvermogen is het belangrijkste en best ontwikkelde zintuig van het ree. Het ree heeft zelfs een beter ontwikkeld reukvermogen dan de hond. De afstand waarop het bijvoorbeeld menselijke geuren kan waarnemen is waarschijnlijk 300  tot  400 meter.
Bij het zoeken naar voedsel en bij het onderlinge contact gebruikt het steeds de neus. Bij het zoeken naar voedsel, houdt het rekening met de wind. Kalveren houden zich voornamelijk daar op waar de moeder ze nog kan ruiken. Kortom: geuren bepalen voor een zeer groot deel de gedragingen van het ree.
De smaak
Het ervaren van smaken gebeurt via smaakpapillen in de mondholte, met name aan de tong. Smaakprikkels gaan via zenuwen naar de hersenen. Het grote aantal smaakpapillen duidt er op dat het ree voedsel op smaak kan selecteren. Reeën hebben voorkeur voor plantensoorten met bepaalde smaakstoffen.
De tastzin
Over het gebruik van de tastzin door het ree is niet veel bekend. Er zitten stugge  tastharen in de omgeving van de mond en de neus, waardoor tastprikkels via zenuwen naar de hersenen gaan.





Gedrag
Reeën maken diverse geluiden: blaffen, fiepen, angstschreeuwen en klagen. Het blaffen van het ree (ook wel ‘schrikken’ genoemd) is een laag, blaffend geluid. De hoogte van de toon is individueel verschillend, maar niet in die mate dat je daardoor met zekerheid bok, geit, jong of oud kunt onderscheiden. Een ree stoot dit geluid uit als het iets bijzonders waarneemt of verstoord wordt zonder de bron te herkennen. Vaak springt het dan luid blaffend af en alarmeert daarmee ook andere reeën. Herkent het ree wel direct de oorzaak van de storing - een mens bijvoorbeeld - dan springt het zonder schrikgeluid weg. Een nagenoeg gelijk, kort blaffend geluid stoot de bok uit bij het afbakenen van het territorium om vreemde bokken uit de buurt te houden. Ook tijdens de bronst bij het zoeken naar een geit kan de bok blaffend worden gehoord. Copyright foto: Louis Fraanje - www.de-veluwenaar.nl 
Het fiepen, een hoge fluittoon, gebruiken de geit en de kalveren om contact met elkaar te houden. Ook gebruikt de geit het fiepen in de bronsttijd om de bok te lokken. De angstschreeuw en het klaaggeluid stoten reeën uit als ze worden achtervolgd, gevangen of aangevallen.
Reeën zijn geen kuddedieren. Wel wordt hun levenswijze sterk beïnvloed door een sociale structuur in het gedrag onderling. Pas sinds kort is hierover meer bekend. Het meeste onderzoek hiernaar is gedaan met reeën in gevangenschap en met kleine, vrij levende populaties. In grote lijnen weten we nu iets over het sociale gedrag van het ree. Over veel details, waarin diverse populaties van elkaar afwijken, is nog veel niet bekend. En dat ofschoon het ree één der best onderzochte wildsoorten ter wereld is.
 
Sociaal gedrag
Territoria
Simpel gezegd zijn reeën ’s zomers geen vrienden van elkaar, maar tolereren ze elkaar in de winter. Reeën zullen ook nooit een vast roedel vormen, zoals dat bij edelherten wel voorkomt
Bokken houden als regel van jaar tot jaar hetzelfde territorium en verdedigen dit tegen andere bokken. Jaarlingbokken, dat wil zeggen bokken van één jaar oud, hebben nog geen eigen territorium en zwerven wat rond. Onderling maken ze dan een rangorde uit. Omdat ze nog weinig concurrentie vormen, worden zwakke  jaarlingen in het territorium van een volwassen of oude bok geduld, maar worden sterke jaarlingbokken meestal wel weggejaagd. Tussen de bokken bestaat een duidelijke rangorde, die voornamelijk door de leeftijd en het karakter wordt bepaald. Ontmoetingen tussen bokken in het voorjaar en de zomer verlopen dan ook vaak min of meer agressief. Hoe dichter ze in rangorde bij elkaar staan, hoe eerder het tot strubbelingen komt.
De grootte van het territorium hangt af van de reedichtheid, de leeftijd van de bokken, de geslachtsverhouding en het voedselaanbod. Het territorium kan variëren van ongeveer 10 tot meer dan 20 ha. Is de reedichtheid hoog, dan overlappen de territoria elkaar gedeeltelijk. De beste gebieden worden bezet door reeën die het hoogst in de rangorde staan, dit geldt zowel voor geiten als voor bokken. De dieren die lager in de rangorde staan, moeten genoegen nemen met een minder goede plaats, of kunnen helemaal niet een territorium bezetten.
Reeën zijn in het algemeen erg plaatstrouw en blijven vaak hun hele leven aan één bepaald territorium gebonden. Uit onderzoek met gemerkte reeën blijkt dat meer dan de helft niet verder dan 1 km wegtrekt, een kwart niet verder dan 10 km en slechts een enkeling verder dan 10 km. Bij de jaarlingbokken zijn het vooral de sterkste die wegtrekken, weggejaagd uit het territorium van oudere bokken.
Na de bronst "verdwijnen” de bokken vaak uit het beeld. Ze zoeken rustige plaatsen op in hun territorium en lummelen daar een beetje rond en rusten uit van de vermoeienissen van de bronst. Later wordt het gedrag van de bokken meer door de geiten met kalveren bepaald. De bokken houden zich dan op binnen het familieverband geit, smalreeën (geitkalf van het vorige jaar) en kalveren.
Ander sociaal gedrag vertonen reeën bij de territoriumactiviteiten tussen bokken en tussen geiten die op het punt staan kalveren te krijgen, tijdens de bronst, bij het zogen en het bewaken van de kalveren door de geit. Allerlei zichtbare, hoorbare en ruikbare signalen doen hierbij dienst, zoals de individuele geur, gemarkeerde plaatsen en geproduceerde geluiden. Het blijkt dat reeën in een bepaald gebied elkaar aan hun geur herkennen.
Sprongvorming
Na het afwerpen van het gewei is er van een territorium geen sprake meer, omdat dit niet meer verdedigd kan worden. In de herfst en winter worden de beste voedselgebieden opgezocht, waar zich dan veel reeën kunnen ophouden. Dan wordt een  andere vorm van sociaal gedrag  zichtbaar, namelijk  de vorming van sprongen. Daarbij houdt een aantal reeën zich tegelijkertijd op dezelfde plaats op, verplaatsen ze zich tegelijk in dezelfde richting en blijven ze steeds dicht bij elk, met een sociale rangorde. De samenstelling van de sprong is namelijk niet willekeurig. De sprong bestaat uit nauw verwante vrouwelijke reeën, bijvoorbeeld uit twee geiten - die zusters zijn - met hun kalveren en smalreeën, en één of enkele bokken. Opvallend is dat de bokken in zo’n sprong geen agressief gedrag vertonen naar elkaar toe. De leiding van de sprong heeft meestal een geit (de leidgeit) die kalveren heeft. Zij waarschuwt bij gevaar en bepaalt de vluchtrichting.
De samenstelling en grootte van een sprong is onder andere afhankelijk van de dichtheid aan reewild, de geslachtsverhouding, de voedselsituatie en de aard van het veld.
In bosgebieden met voldoende dekking, voedsel en weinig verstoring, zijn de sprongen in de regel klein als de dichtheid niet erg hoog is. In open gebieden met veel reeën zie je grotere sprongen.
Bepalen van het territorium
De sterke bokken kiezen in het voorjaar hun territorium. Het markeren van het territorium, wat al in de maand maart begint, gebeurt door heftig met het gewei tegen takken en boompjes te slaan, voorafgegaan door krabben met de voorlopers. Deze markeerplekken zijn in het veld duidelijk zichtbaar. Tijdens dit markeren worden geurstoffen uit de voorhoofdsklier en vanuit geurklieren tussen de hoefjes op de plantendelen en grond aangebracht.
Als twee bokken van gelijke rang elkaar tegenkomen, zekeren ze en lopen ze langzaam op elkaar toe. Op een tiental meters van elkaar verwijderd zekeren ze opnieuw. Daarna gaan ze over tot het dreigen en imponeren van de ander. Bij de imponeerhouding houdt een bok de hals recht naar boven en de kop iets opzij gedraaid. Bij het dreigen houdt de bok de kop laag, het gewei naar de tegenstander gericht, en krabt met de lopers. Deze dreighouding kan overgaan in stootbewegingen in de richting van de ander, zonder dat deze geraakt wordt. En dan bliksemsnel wordt er een serieus gevecht aangegaan en slaan de bokken met de geweien tegen elkaar. Zijn er grote krachtsverschillen dan zal de zwakkere het snel opgeven, wegdraaien en weglopen. Zijn de verschillen gering, dan kan zo’n gevecht langer duren en verschillende fasen van imponeren, dreigen en aanvallen inhouden. Er vallen zelden doden bij dit soort gevechten. Het gebeurt heel soms dat de geweien vast in elkaar haken. In dat geval wacht een hevige strijd om los te komen, die vaak eindigt in de smartelijke dood van beide bokken.
Sociaal gedrag van vrouwelijke reeën
Ook het vrouwelijk ree bezit vaste territoria, waarin zich als regel een geit met haar kalveren en smalreeën (geit van één jaar) ophoudt. Wel overlappen deze territoria elkaar meer dan bij de bokken. Jaarlingbokken worden een aantal weken voor de moeder kalveren krijgt door de geit verstoten. Ook smalreeën moeten zo’n 3 weken daarvoor de geit verlaten. En dat gaat ook niet altijd zonder geweld. Pas na de bronst keren ze weer in het familieverband terug tot het volgende voorjaar. Dan verlaten ze de moeder en krijgen zelf voor het eerst kalveren. Als in de tijd voordat de kalveren worden geboren, het smalree of een andere geit dezelfde plek wil bezetten, leidt dit tot agressief gedrag. Er wordt met de lopers geslagen en vaak jagen ze elkaar achterna.
De gebieden waarin de verschillende reeënfamilies zich ophouden, overlappen elkaar gedeeltelijk. Wordt een kalf moederloos dan neemt het smalree vaak de zorg voor het kalf in de regel over en zorgt er tevens voor dat deze aansluiting vindt in een groep. Kalveren die alleen zijn zullen niet snel door een andere groep worden aangenomen.





Activiteiten
Het ree is in een etmaal perioden actief en perioden inactief. Dit dagritme volgt een vast patroon dat in de loop van het jaar, afhankelijk van onder andere de daglengte, verandert.
 
Reeën zijn het meest actief kort na zonsopkomst en bij zonsondergang. Daartussen zijn er enkele, meestal korte, periodes waarin reeën foerageren. Afhankelijk van de rust in het veld kun je reeën op alle uren van de dag waarnemen. In de wintermaanden, als de zon laag blijft, ligt een activiteitsmaximum in de middaguren. In de zomer, als de dag langer is dan 15 uur, besteden reeën overdag weinig tijd aan foerageren en beweging en veel aan liggen en slapen. In deze periode zijn ze meer ’s nachts actief.
Als je het dagritme van reeën verstoort, vergroot je het risico van schade aan de soort zelf, omdat ze of niet voldoende kunnen eten of niet voldoende toekomen aan herkauwen, en aan gewassen en bossen omdat ze als compensatie jonge aanplant of spontane opslag gaan aanvreten. Verstoring van het dagritme heeft vooral in de winterperiode een negatief effect. Verstoring van het dagritme betekent veelal verstoring van de spijsvertering. Daar kan een herkauwer absoluut niet tegen.
 
Voedsel
Het ree, een herkauwer, eet alleen plantaardig voedsel. Het opnemen van voedsel en het in alle rust herkauwen daarvan neemt dagelijks een groot deel van de tijd in beslag.
De beschikbaarheid van goed voedsel is bepalend voor de lichamelijke conditie van het ree, en daarmee indirect ook voor de sociale rangorde. Het voedsel komt eerst in de pens. Reeën hebben, in verhouding tot hun lichaamsgrootte, een kleine pensinhoud. De pens is wel voorzien van vele plooien waardoor de totale oppervlakte aanzienlijk is. Reeën verteren het voedsel sneller dan grote herkauwers. Maar door de kleinere pensinhoud moeten ze vaker eten, bij voorkeur licht verteerbaar, eiwitrijk voedsel. Pensbacteriën worden daar vermengd met het voedsel. Dan wordt het voedsel opgerispt en gekauwd waarbij het gemengd wordt met speeksel en weer wordt doorgeslikt. In de pens bevindt zich dan gekauwd en niet gekauwd voedsel. Het fijn gekauwde voedsel wordt vervolgens door de netmaag gescheiden van het niet gekauwde voedsel en daarna getransporteerd naar de boekmaag. In de boekmaag wordt het vocht uit de spijsbrok gehaald en dan verder getransporteerd naar de lebmaag. Dit is de eigenlijke maag die aangesloten is op de dunne darm. Hierin wordt het voedsel weer verder verteerd. Daarna wordt het voedsel in de darmen nogmaals verder verteerd en worden de vrijgemaakte voedingsstoffen opgenomen in het lichaam, om uiteindelijk via de endeldarm het lichaam weer te verlaten als 'boonsel'.
Reeën zijn snoepers, ‘concentrate selectors’: ze eten niet alles wat ze voor de bek komt, zoals echte grazers. Zorgvuldig zoeken ze hapje voor hapje uit. Hun smalle snuit is daar heel geschikt voor. Omdat reeën licht verteerbaar, eiwitrijk voedsel nodig hebben, eten ze graag knoppen en jonge bladeren van bomen en struiken en vele kruidensoorten. In de tijd dat ze de meeste energie nodig hebben, in het voorjaar en de zomer, wanneer bij de geit bijvoorbeeld de kalveren worden geboren en moeten worden gevoed of zich de bronst afspeelt, is ook het voedselaanbod het grootst. Het ree herkent voedselplanten op basis van geur- en smaakstoffen. Onervaren reeën leren dit van ervaren soortgenoten.
De energiebehoefte hangt nauw samen met de activiteiten. Een ree is dan ook het meest actief in de periode dat er volop voedsel is. De winter betekent vaak een overschakeling naar ander voedsel zoals heide, wortels van adelaarsvaren, bast van boompjes, blad van hulst e.d. Daarom zet het ree in de winter, als de voedselvoorraad minder en slechter verteerbaar is, de dagelijkse activiteiten op een lager pitje. Omschakelen naar ander voedsel betekent ook dat de darmflora van het ree zich moet aanpassen. Wanneer het ree na de winter weer overgaat op eiwitrijker en lichter verteerbaar voedsel kunnen ze daarom  de eerste week last hebben van diarree.
Reeën gaan zuinig met energie om. Je kunt ze daarbij helpen door ze in de winter zo weinig mogelijk te storen. In goede mastjaren, wanneer reeën veel eikels en beukennoten kunnen eten, vormen ze een goede vetlaag die in de winter kan worden aangesproken voor extra energie en ook bij de vorming van het volgende gewei van belang is.
Vitamines en mineralen haalt het ree uit het natuurlijke voedsel. Dit vormt ook grotendeels een bron voor de waterbehoefte. In extreem droge perioden drinken reeën uit poelen. Een tekort aan vocht kan dodelijke spijsverteringsstoornissen veroorzaken.
 
De Bronst
De bronsttijd, de paringstijd van reeën, ligt tussen half juli en half augustus. Deze periode wordt ook wel de bladtijd genoemd. Geslachtsrijp zijn normaal ontwikkelde reeën op de leeftijd van 1 jaar. Slecht ontwikkelde vrouwelijke reeën worden in de na-bronst beslagen of slaan een jaar over. Reebokken zijn vruchtbaar vanaf 1 jaar. In een goede reeënstand, met een goede samenstelling van leeftijden en geslachten, nemen jaarlingen als regel nog niet deel aan de voortplanting.
Bronstige geiten scheiden geurstoffen af die de bokken aantrekken. Ook produceren de geiten in deze tijd een ‘fiepgeluid’  waar de bok op af komt. De geiten zijn 3 - 4 dagen bronstig. Omdat de geit lang niet altijd direct bereid is tot een paring, vinden er regelmatig wilde achtervolgingen plaats totdat de geit aangeeft dat ze bereid is. De paring op zich duurt maar enkele seconden.
Nadat de bok verschillende malen de geit heeft beslagen, verlaat deze de geit en gaat op zoek naar een andere bronstige geit. De geit voegt zich dan weer bij haar kalveren, die ze tijdens het liefdesspel heeft verlaten.
Gedurende de bronsttijd verliezen de bokken behoorlijk wat lichaamsgewicht, tot wel 25%.
Na de paring komt de bevruchte eicel in de baarmoeder terecht. In twee weken deelt de eicel snel en ontstaat er een kiemblaasje van ruim 1 mm grootte. Daarop volgt een 4 1/2 maand durende kiemrust zonder zichtbare ontwikkeling. Men spreekt over een uitgestelde implantatie. Vanaf midden december ontwikkelt het embryo zich snel.
 
De Geboorte
In mei of juni werpt de geit haar kalveren. Meestal twee, soms één en soms drie. Geiten met vier kalveren zijn zeldzaam. Het gewicht van een kalf ligt rond de 1,5 kg. De geit kiest de plek uit waar ze de kalveren gaat zetten. Meestal is dat een bosrand met veel ondergroei, een weiland met lang gras of in het koren. Na de geboorte likt de geit de kalveren droog, maakt de geboorteplek zorgvuldig schoon en eet de nageboorte op om zo weinig mogelijk geurspoor achter te laten. Kort na de geboorte doen de kalveren al pogingen om op te staan. De pasgeboren kalveren vinden in korte tijd de tepels. De geit zoogt de kalveren diverse malen per dag, niet langer dan een minuut per keer.
 
De kritische periode
De tijd tussen de geboorte en het tijdstip waarop de kalveren de geit als hun eigen moeder herkennen is een kritische periode voor kalveren. Deze duurt enkele weken. In de kritische periode volgen de kalveren de geit niet steeds. Dagelijks zijn ze maar korte tijd bij elkaar. Waarschijnlijk herkent de geit haar kalveren in deze eerste tijd niet aan een individuele geur, maar aan een algemene kalverengeur. Zo is het mogelijk dat de eerste 3 weken een geit een vreemd kalf nog accepteert als haar eigen kalf.
Gedurende de eerste twee weken drukken de kalveren zich bij onraad en geven ze nog geen geur af. Ze kennen nog geen gevaar en laten zich gemakkelijk benaderen en oppakken. Regelmatig doen onwetende wandelaars dit dan ook, in de veronderstelling dat de moeder ze in de steek heeft gelaten. Maar de geit verlaat haar kalf nooit. Ze is altijd in de buurt, ook al zie je haar niet.
In deze tijd is ook het gevaar van loslopende honden groot en maken maaimachines veel slachtoffers. In de eerste twee weken verwijderen de kalveren zich van elkaar en liggen vaak op behoorlijke afstand van elkaar. Voor het zogen roept de geit de kalveren naar zich toe. Het zich zelfstandig drukken, op afstand van elkaar, in de eerste levensweken doen de kalveren instinctief. Daarmee verkleinen ze het risico dat ze worden gevonden door natuurlijke vijanden. In deze periode verdedigt de geit de kalveren door met de lopers te slaan.
 
De stabiele periode
De kalveren volgen de geit voortdurend en zijn steeds bij haar in de buurt. Toch kun je een geit gedurende de eerste maanden ook regelmatig alleen of met maar één kalf zien. Kalveren hebben namelijk een iets ander dagritme dan de geit. Ze slapen wat meer. Als de kalveren circa 2,5 maand oud zijn, is de dagindeling gelijk. De kalveren komen daarna ook regelmatig in contact met andere reeën. Het zogen van de kalveren neemt af, tot het helemaal stopt als ze een half jaar oud zijn.
De kalveren worden steeds zelfstandiger, hun gedragingen gaan steeds meer lijken op die van volwassen reeën. Lagen de ligplaatsen van de kalveren eerst ver uit elkaar, met het ouder worden liggen ze steeds dichter bij elkaar. Spelenderwijs leren ze allerlei gedrag, zoals imponeren, dreigen en het tonen van onderdanigheid. Deze stabiele moeder-kind-periode duurt tot in het volgende voorjaar. Als eerste neemt het bokkalf afscheid, hoewel dat lang niet altijd vrijwillig gebeurt, deze verdwijnt dan  voorgoed uit het leefgebied van de moeder. Kort voordat de moeder weer opnieuw kalveren krijgt verstoot ze het geitkalf.
Het jonge ree moet in zijn eerste levensjaar in de herfst minstens 12,5 kg wegen om de winter te kunnen overleven. Gedurende de wintermaanden groeien de kalveren namelijk nauwelijks. Pas vanaf maart is er weer een gewichtstoename. Met twee jaar is het ree lichamelijk volwassen, lichaamsgewicht en omvang nemen nog toe tot een leeftijd van ongeveer vijf jaar. Maar dit is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de biotoop. De kwaliteit van het voedselaanbod in de herfst, winter en het vroege voorjaar is namelijk doorslaggevend voor de verdere lichamelijke ontwikkeling van het jonge ree.
 
De levensduur
Er zijn gegevens over reeën in gevangenschap en over reeën die als kalf gemerkt werden. In gevangenschap is de maximaal bereikte leeftijd 25 jaar. Van de in het wild levende en als kalf gemerkte reeën is de oudste bok ruim 17 jaar en de oudste geit 16,5 jaar geworden. Bij reeën ouder dan 10 jaar staat grote gebitsslijtage, waardoor het voedsel niet meer goed gekauwd en herkauwd kan worden en daarom niet meer goed wordt opgenomen, een hogere levensverwachting in de weg.

De natuurlijke geslachtsverhouding
Bij de geboorte is er een geslachtsverhouding tussen mannelijke en vrouwelijke kalveren van gemiddeld 1:1. Jaarlijks kunnen hierin wat afwijkingen in optreden. Met toenemende leeftijd verschuift deze verhouding meestal ten gunste van de vrouwelijke dieren, omdat de verliezen bij de bokken groter zijn. De toename van de reeënstand wordt deels veroorzaakt door de moeilijke telbaarheid van het ree, waardoor een onderschatting van het aantal reegeiten plaatsvindt én door het onderschatten van het belang van het geitenafschot, waardoor er te weinig geiten worden geschoten.
 
De aanwas
De jaarlijkse aanwas bestaat uit de kalveren die worden geboren uit het aantal vrouwelijke reeën dat op 1 april aanwezig is. Smalreeën krijgen nog geen kalveren, maar omdat ze bij tellingen in het voorjaar niet altijd meer duidelijk van de geiten zijn te onderscheiden, worden ze samengeteld met de geiten.
De aanwas is natuurlijk niet altijd en overal gelijk. Verschillen treden op door de reeëndichtheid, de voedselsituatie en andere factoren (recreatie, infrastructuur e.d.). De jaarlijkse aanwas kan, afhankelijk van omstandigheden, schommelen tussen 70 en 150% van het aantal op 1 april aanwezige stuks vrouwelijke dieren (geiten, smalreeën en vrouwelijke kalveren). De verhouding tussen het aantal smalreeën en geiten is van grote invloed op de aanwas. Het is aan te bevelen bij het berekenen van de jaarlijkse aanwas uit te gaan van gemiddeld 85% van alle vrouwelijke dieren.





Reeëndichtheid
De maximale dichtheid bij reeën kun je onderscheiden in maatschappelijke dichtheid en in ecologische dichtheid. De maatschappelijke dichtheid is de dichtheid waarbij het ree zich kan ontwikkelen tot het door de mens gewenste aantal. Dit aantal is gebaseerd op belangen zoals: agrarische activiteiten, verkeer, infrastructuur, bebouwing, recreatie, etc. Kortom: belangen waarop reepopulaties invloed kunnen hebben.
 
De ecologische dichtheid is het maximale aantal dieren dat in een gebied kan leven. In ons cultuurlandschap is dit afhankelijk van de hoeveelheid, bereikbaarheid en kwaliteit van voedsel, dekking en rust in een langdurig stabiele periode.
De ecologische dichtheid is in ons cultuurlandschap altijd aanzienlijk hoger dan de maatschappelijke dichtheid en ook hoger dan onder natuurlijke omstandigheden bereikt zou worden. In de praktijk is het moeilijk om de ecologische dichtheid te bepalen. Die dichtheid wordt bepaald door het samenspel van vele factoren. Er zijn biotische factoren,die hebben een biologische oorsprong, en a-biotische factoren, die hebben geen biologische oorsprong. Daarnaast zijn er factoren die het gevolg zijn van door mensen bedachte ordening van natuurlijke of maatschappelijke zaken. In die samenhang en in het op elkaar inwerken van de factoren zit een bepaalde dynamiek.
Vaak haalt de mens de natuurlijke dynamiek uit een gebied en brengt daarvoor een andere dynamiek - bijvoorbeeld ‘recreatie’ - terug.  Dat heeft gevolgen. Het ree kan zich daar als groot wild hoefdier goed aan aanpassen. Dit in tegenstelling tot edelherten en damherten. Als de basale zaken als voedsel, dekking en rust er maar zijn voor het ree. Met gebouwen en zelfs miljoenen dagjesmensen, zoals op de Veluwe, kan het ree prima omgaan.
Dichtheden kunnen daarom, afhankelijk van de dynamiek, lokaal enorm verschillen en veranderen. Voedselarme gebieden hebben soms maar een dichtheid van 5 reeën per 100 hectare, voedselrijke gebieden kunnen wel meer dan 25 reeën per 100 hectare hebben. Stijgt de dichtheid, dan wordt concurrentie een belangrijke factor. Het effect:  reeën gaan op zoek naar nieuwe territoria. De daarbij behorende beweging zorgt vaak voor meer verkeersslachtoffers.
De sterke toename in een bepaald gebied van populaties van edelherten, damherten of andere grote grazers heeft ook een negatief effect op de daar aanwezige reeënpopulatie. Een ree laat zich dan uit dat gebied weg concurreren. Voorbeelden hiervan zijn er genoeg in Nederland. Het meest recente voorbeeld is het reeënbestand in de Oostvaardersplassen dat practisch tot nul is gereduceerd door de toegenomen aantallen edelherten, koninckspaarden en heckrunderen.
Het is onmogelijk de meest gunstige dichtheid te bepalen. Maar het blijft belangrijk om de zichtbare gevolgen van een te hoge dichtheid tijdig te onderkennen. Wat kan duiden op een te hoge dichtheid zijn bijvoorbeeld een toename van verkeersongevallen waarbij reeën betrokken zijn, een afname van de gewichten van reeën en een slechtere conditie en het achterblijven van de geweiontwikkeling van reebokken.
Natuurlijke vijanden kunnen het aantal reeën in een bepaald gebied beïnvloeden. Gebieden waar natuurlijke vijanden, zoals de wolf en de lynx, nog voorkomen, laten in het algemeen een lagere dichtheid aan reeën zien dan gebieden waar deze ontbreken. Vooral de lynx is een jager op het reewild, maar ook de wolf zal een ree niet ongemoeid laten. De bruine beer is eigenlijk geen echte reeënjager, maar zal een reekalf ook niet versmaden. Verder kunnen reekalveren bijvoorbeeld door de steenarend worden gegrepen.
In Nederland heeft het ree geen natuurlijke vijanden meer. Hoewel een wild zwijn een reekalf kan oppeuzelen en ook de vos een jong kalf kan grijpen (maar meer nog een overleden kalf zal verorberen), gebeurt dat te incidenteel om daarmee de reewildstand te kunnen beïnvloeden. En daarmee blijft de mens over als "natuurlijke vijand”. Omdat de stand de afgelopen jaren alleen maar is gegroeid, moet de mens ingrijpen om die stand onder controle te houden. Niet alleen om daarmee een gezonde reewildstand te krijgen en te behouden, maar ook om schade aan land-, tuin- en bosbouw te beperken en om de verkeersveiligheid te verhogen. Want 10.000 aanrijdingen per jaar met reewild betekenen niet alleen veel economische schade, maar ook veel dierenleed.



Bron: Vereniging Het Reewild


Film over reewild